Written by

Hoe financiële krapte en bureaucratie de zorg voor kwetsbare kinderen ondermijnen

Een voormalig gezinsvoogd slaat alarm: in Nederland bepalen gemeentelijke administrateurs te vaak het lot van kinderen in nood. Terwijl professionals weten wat nodig is, maken budgetten de dienst uit. En ouders staan machteloos aan de zijlijn.


De gezinsvoogd trakteert op bananensoezen. Een zeldzaam moment van vreugde in een wereld die doorgaans weinig te vieren heeft. De achtjarige jongen mag eindelijk van zijn ondertoezichtstelling af. Na twee jaar hard werken – door hemzelf, zijn moeder, en het systeem – is hij veilig. Hij woont in een instelling voor jeugdzorg waar hij bloeit, heeft goed contact met beide ouders, en functioneert aan de top van zijn kunnen. Een succes, zou je denken.

Maar enkele maanden later neemt de gemeente een besluit dat dit zorgvuldig opgebouwde resultaat in één klap tenietdoet. De jongen moet zijn vertrouwde plek verlaten. Niet omdat de zorg niet goed is. Niet omdat er betere alternatieven zijn. Maar omdat de gemeente geen contract heeft afgesloten met deze specifieke instelling. Maatwerk kost geld, en daar is de gemeente niet toe bereid.

Het is een symptoom van een groter faillissement: een jeugdzorgsysteem waarin financiële overwegingen de zorg voor kinderen en gezinnen in gevaar brengen, waarin de rechtszekerheid van ouders onder druk staat, en waarin de expertise van professionals wordt overruled door de beperkte budgetten van gemeenten.

Een systeem onder onhoudbare druk

De Jeugdautoriteit concludeert in haar Stand van de Jeugdzorg 2024 dat de problemen in de jeugdsector eerder groter dan kleiner zijn geworden ten opzichte van het voorgaande jaar. Achttien jeugdzorgaanbieders kampen met zulke grote financiële problemen dat hun voortbestaan bedreigd is – samen verantwoordelijk voor ongeveer 30 procent van de omzet in de jeugdzorg.

Gemeenten gaven in 2019 structureel tussen de 1,6 en 1,8 miljard euro meer uit aan jeugdzorg dan het beschikbare budget van 3,8 miljard euro. In 2024 wordt het gemeentelijke tekort op jeugdhulp naar verwachting 828 miljoen euro. Deze cijfers vertellen het verhaal van een systeem dat vanaf het begin op wankele financiële fundamenten is gebouwd.

Sinds de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten in 2015 – een operatie die gepaard ging met een bezuiniging van 450 miljoen euro – worstelen lokale overheden met een onmogelijke opdracht: meer doen met minder geld. De veronderstelling dat gemeenten “dichter bij de burger” efficiënter zouden werken, blijkt een valse belofte.

De Jeugdautoriteit stelt vast dat het ontbreekt aan één gezamenlijke, domeinoverstijgende aanpak en collectieve verantwoordelijkheid, en dat het denken in termen van markten, kostenbeheersing en contracten wantrouwen lijkt aan te wakkeren.

De casus: wanneer het systeem faalt

De geschiedenis van de achtjarige jongen is exemplarisch voor het systemisch falen. Het kind kampt met een licht verstandelijke beperking en autisme. Zijn moeder heeft zware psychiatrische problematiek. Het gezin leeft in armoede en kampt met financiële problemen. Alsof dit niet genoeg is, zorgt ex-partnerproblematiek voor voortdurende stress en fysiek onveilige situaties.

Het vrijwillige kader – de eerste lijn van hulpverlening met pleegouders, vrijwilligers en professionals – komt er niet uit. Het gezinssysteem zit gevangen in zijn eigen onmogelijkheden. De jongen laat steeds uitdagender gedrag zien. Het groeit de moeder boven het hoofd, waardoor ook zij verder afglijdt.

Via een gemeentelijke beschermtafel komt er uiteindelijk een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter spreekt een ondertoezichtstelling uit. Eindelijk regie, zou je denken.

Maar zelfs met een rechterlijk bevel blijkt doorpakken niet vanzelfsprekend. De benodigde ambulante hulp moet worden afgestemd met de gemeente. Die afstemming gaat over financiën en werkt vertragend. In sommige gevallen kan de door de rechter voorgeschreven hulp niet eens worden ingezet door de gezinsvoogd. Een rechterlijke uitspraak biedt zelfs geen garanties meer.

Twee jaar heeft deze jongen moeten wachten voordat er in samenspraak met zijn moeder, en de gemeente een oplossing kwam: een vrijwillige plaatsing in een jeugdzorginstelling. Een beslissing die onder begeleiding en aansturing van de gezinsvoogd tot stand kwam en waarin het kind eindelijk opbloeit.

Maar zodra de ondertoezichtstelling wordt opgeheven, neemt de gemeente zonder overleg en tegen de wil van ouders en kind het besluit dat de jongen moet vertrekken. Er is een goedkopere aanbieder gecontracueerd, weg met de maatwerk oplossing. Het resultaat: het kind wordt verder beschadigd, de ouders zijn teleurgesteld, en alle inzet gedurende de ondertoezichtstelling – in manuren, expertise en belastinggeld – wordt tenietgedaan.

Het wachten is nu op een nieuwe ondertoezichtstelling. Het circus begint opnieuw.

Rechtszekerheid: het ontbrekende fundament

Ouderverenigingen en advocaten luiden al jaren de noodklok over het feit dat in het jeugdbeschermingsrecht door gebrek aan feitenonderzoek en het ontbreken van normatieve kaders geen sprake meer is van gelijke wapens tussen partijen.

De Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen worden verondersteld een deskundigheid te bezitten die de rechtbank niet in twijfel kan trekken, waardoor ouders zich in een ongelijke en nadelige positie bevinden. Een eerlijke rechtspositie van ouders en jongeren ontbreekt en zou wettelijk verankerd moeten zijn. Het probleem wordt versterkt doordat ouders vaak niet de middelen hebben voor juridische bijstand.

Uit onafhankelijk onderzoek blijkt dat ruim een derde van de jongeren tussen 12 en 21 jaar die te maken hebben met jeugdzorg hun rechten niet kent. De Nationale Ombudsman benadrukt dat binnen de jeugdhulp te weinig aandacht is voor de invloed van kinderen en hun ouders op hun eigen jeugdhulptraject – kinderen en ouders staan letterlijk aan de zijlijn.

Een adviescommissie concludeerde begin 2024 dat de rechtspositie van ouders en kinderen forse verbetering behoeft. Het advies: betrek gezinnen actief, erken hun rechten, informeer ze adequaat over hun mogelijkheden, en bied passende onafhankelijke ondersteuning.

Maar in de praktijk blijft dit grotendeels een papieren werkelijkheid. Ouders voelen zich machteloos omdat zij onvoldoende informatie krijgen van betrokken instanties en weinig invloed hebben op cruciale beslissingen over hun kinderen.

De paradox van de decentralisatie

De decentralisatie van 2015 was geïnspireerd op het Deense model, waar sinds 2007 jeugdzorg op gemeentelijk niveau wordt georganiseerd. In Denemarken leidde dit inderdaad tot betere samenwerking tussen scholen en hulpverleners, en tot minder uithuisplaatsingen. Maar het had ook een schaduwzijde: gemeenten ontmoedigden duurdere specialistische zorg in instellingen, waardoor de kwaliteit van deze zorg achteruitging. En er ontstonden grote verschillen per gemeente in de zorg die kinderen kregen.

Diezelfde ontwikkeling zien we nu in Nederland. In 2024 ontving bijna 11 procent van de in Nederland geboren jongeren met in Nederland geboren ouders jeugdhulp zonder verblijf. Het aantal jongeren dat een beroep doet op jeugdzorg blijft groeien, terwijl de kwaliteit en beschikbaarheid van die zorg onder druk staat.

Middelgrote en grote jeugdhulpaanbieders kampen met veel ziekteverzuim en hoge personeelskosten, terwijl de tarieven volgens hen vaak te laag zijn om goede zorg te leveren. De gemiddelde winstmarge in de sector daalde in 2023 naar slechts 0,1 procent. Duizenden aanbieders hebben te maken met sluitingen van locaties en nog langere wachtlijsten.

Het perverse gevolg: wie over financiële middelen beschikt, kan zorg buiten het reguliere systeem zoeken. Politici, beleidsmakers en bestuurders gaven tegenover de Landelijke Vereniging voor Vrijgevestigde Psychologen en Psychotherapeuten toe dat als hun eigen kind hulp nodig had, ze die eerder buiten het reguliere jeugdzorgsysteem zouden zoeken – het systeem dat zij zelf hebben opgezet. De ontwikkeling naar “klassenzorg” is in volle gang.

Waar de euro regeert

Het fundamentele probleem is dat in het Nederlandse jeugdzorgstelsel de financiële haalbaarheid vooropstaat boven de inhoudelijke noodzaak. Staatssecretaris Karremans stelde dat jeugdzorg nu te snel wordt ingeschakeld als er problemen spelen binnen een gezin, en dat niet alle hulpvragen met jeugdhulp hoeven te worden beantwoord.

Dat mag waar zijn – er is inderdaad een maatschappelijk debat nodig over wat we als jeugdzorg beschouwen en wat we daaraan willen besteden. Maar de praktijk laat zien dat juist kinderen die de meest specialistische zorg nodig hebben, de dupe worden van de financiële krapte.

De casus van de achtjarige jongen illustreert het kernprobleem: professionals weten wat het kind nodig heeft. De kinderrechter heeft dit bekrachtigd. De gezinsvoogd heeft het traject begeleid. Het resultaat is goed. Maar een gemeentelijke administrateur maakt op basis van budgettaire overwegingen een beslissing die alle voorgaande inspanningen ondermijnt.

Dit is niet alleen schrijnend voor het kind en zijn ouders. Het is ook een verspilling van schaarse publieke middelen. De investering die is gedaan tijdens de ondertoezichtstelling – in tijd, expertise en geld – wordt tenietgedaan. En de kans is groot dat er opnieuw intensieve (en duurdere) interventies nodig zullen zijn.

De versnippering van verantwoordelijkheid

Het Nederlandse jeugdzorgstelsel kent drie niveaus van zorg: primaire preventie (scholen, buurtcentra), secundaire preventie (gemeentelijke jeugdzorg, ggz), en tertiaire preventie (gespecialiseerde zorg- en behandelcentra). In theorie is dit een logisch opgebouwde trap van licht naar zwaar. In de praktijk leidt het tot versnippering en gebrek aan coördinatie.

Door versnippering van de sector gaat verandering te langzaam, en de angst voor risico’s leidt tot steeds meer verantwoordingslasten. Tussen het vrijwillige kader (ouders, vrijwilligers, professionals) en het gedwongen kader (jeugdzorginstellingen, gecertificeerde instellingen, Raad voor de Kinderbescherming, justitie) bestaat een kloof die niet makkelijk te overbruggen is.

De samenwerking tussen deze kaders verloopt moeizaam. Vrijwillige hulpverlening wordt soms als minder betrouwbaar en verantwoordelijk beschouwd. En er kunnen verschillen zijn in doelen en doelstellingen, wat tot conflicten leidt. Effectieve samenwerking zou een duidelijk begrip vereisen van rollen en verantwoordelijkheden, evenals een gedeelde visie en gemeenschappelijke doelen. Maar die ontbreken vaak.

Nog problematischer is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de inkoop en financiering, terwijl zij niet altijd de expertise in huis hebben om de kwaliteit van jeugdzorg adequaat te beoordelen. Uit onderzoeken van gemeentelijke rekenkamers blijkt dat gemeenten worstelen met het inschatten van de benodigde budgetten en de effectiviteit van interventies.

De weg vooruit: hervormingen die haken en ogen kennen

Er zijn verschillende initiatieven om de jeugdzorg te verbeteren. De Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 zou een structurele basis moeten bieden. De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg zal gemeenten verplichten regionaal samen te werken bij de inkoop van specialistische jeugdzorg. En per 1 januari 2024 is de Wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp ingevoerd, die de positie van jongeren in gesloten instellingen moet versterken.

Maar deze wetten bieden op korte termijn geen oplossing voor de bestaande problemen. De Jeugdautoriteit pleit ervoor niet te wachten op nieuwe wet- en regelgeving, maar om nu te werken aan een efficiënte en effectieve organisatie van de jeugdzorg.

De sector staat niet volledig stil, nuanceert de Jeugdautoriteit. Ondanks alle problemen blijven de meeste aanbieders overeind en krijgen dagelijks talloze kinderen hulp van gemotiveerde professionals. De samenwerking tussen gemeenten en aanbieders verbetert, en gemeenten hebben meer kennis over jeugdzorg opgebouwd.

Maar de structurele problemen blijven. De VNG heeft het kabinet in maart 2025 een ultimatum gesteld en dreigt met juridische stappen als er geen structurele financiële oplossing komt. Gemeenten wijzen erop dat zij een wettelijke verantwoordelijkheid hebben die adequaat gefinancierd moet worden.

Het kabinet schuift structurele oplossingen door naar de toekomst, terwijl de problemen nu spelen. En intussen betalen kinderen en gezinnen de prijs.

Drie urgente verbeteringen

Op basis van jaren ervaring als gezinsvoogd en de bredere analyse van het systeem, zijn drie fundamentele veranderingen noodzakelijk:

1. Zet de professional centraal, niet de administrateur

Laat beslissingen over de benodigde zorg worden genomen door professionals met expertise in jeugdzorg, ondersteund door onafhankelijke toetsing. Gemeentelijke administrateurs mogen uiteraard budgettair kader stellen, maar binnen dat kader moeten professionals de ruimte hebben om passende zorg te organiseren zonder voortdurende financiële discussies per individueel geval.

2. Versterk de rechtspositie van ouders en kinderen

Codificeer de rechten van ouders en kinderen in de jeugdzorg wettelijk en zorg voor toegankelijke, onafhankelijke rechtsbijstand. Maak de inzet van een vertrouwenspersoon standaard, niet optioneel. Verzeker dat ouders en kinderen daadwerkelijk worden gehoord in procedures en dat zij inzage hebben in dossiers en kunnen reageren op rapporten voordat beslissingen worden genomen.

3. Herzie de incentives: van financiering naar resultaat

Het huidige systeem prikkelt gemeenten om kosten te besparen, niet om goede resultaten te bereiken. Dit moet worden omgedraaid. Beloon gemeenten en aanbieders die aantoonbaar goede zorg leveren en positieve uitkomsten bereiken voor kinderen en gezinnen. Koppel financiering aan kwaliteitsindicatoren en resultaten, niet alleen aan volume of kosten.

Een moreel faillissement

De jeugdzorg is een spiegel van onze samenleving. Hoe gaan we om met de meest kwetsbaren onder ons? Wat zijn we bereid te investeren in kinderen die door omstandigheden – waar zij zelf geen invloed op hebben – de zorg van de gemeenschap nodig hebben?

Het antwoord dat ons huidige systeem geeft, is verontrustend. We hebben een jeugdzorgstelsel gecreëerd waarin financiële krapte structureel de zorg voor kinderen ondermijnt, waarin de rechten van ouders onvoldoende zijn gewaarborgd, en waarin de expertise van professionals wordt overruled door budgettaire overwegingen.

De achtjarige jongen uit de casus is geen uitzondering. Hij staat symbool voor duizenden kinderen die gevangen zitten in een systeem dat hen onvoldoende beschermt. Het wachten op een nieuwe ondertoezichtstelling, het opnieuw opbouwen van vertrouwen, het steeds weer uitleggen van de situatie aan nieuwe professionals – het is geen zorg, het is een molensteen om de nek van kwetsbare gezinnen.

En zoals de Nationale Ombudsman terecht opmerkt: kinderen en ouders die letterlijk aan de zijlijn staan, is funest voor hoe zij hun zorg ervaren.

Het is niet te verkopen aan cliënten, maar ook niet aan de maatschappij en de belastingbetaler, hoe hier met publieke middelen wordt omgegaan. Een systeem dat succesvol opgebouwde zorg tenietdoet om budgettaire redenen, is moreel en economisch failliet.

De tijd van rapporten en plannen is voorbij. Nu is actie nodig. Voor die achtjarige jongen. Voor zijn moeder. En voor de vele duizenden anderen die op dit moment vastzitten in hetzelfde disfunctionele systeem.


Bronnen

  • CBS (2025). Jeugdhulp 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • Jeugdautoriteit (2024). Stand van de Jeugdzorg 2024.
  • Jeugdzorg Nederland (2025). Jeugdzorg Nederland herkent zorgen Jeugdautoriteit: “continuïteit onder druk”.
  • Defence for Children (2024). Jeugdzorg onder druk 2024.
  • Adviescommissie Rechtsbescherming en Rechtsstatelijkheid (2024). Kinderen en ouders met recht goed beschermd.
  • Nationale Ombudsman (2024). Gebrek aan invloed op jeugdhulp funest voor ouders en kinderen.
  • Tweede Kamer (2024-2025). Jeugdzorg, Kamerstuk 31 839, nr. 1031.
  • Balans, vereniging voor ouders (2022). Rechtsbescherming en rechtspositie ouders en kinderen in de jeugdzorg moet beter!
  • LOC Cliëntenraden (2024). 5 fundamentele oplossingen jeugdzorg: 3 Versterk de rechtspositie van jongeren en ouders.
  • Gemeente.nu (2024). Kabinet: jeugdzorg vaak niet de oplossing.
  • Nederlands Jeugdinstituut. ‘Continuïteit jeugdzorg is in gevaar’.
  • Patel, B., et al. (2011). “Plannen voor sloppenwijken: een wettelijk kader.” Environment & Urbanization ASIA, 2(1), 1-20.
  • Rap, S., Verkroost, F., & Bruning, M. (2019). “Kinderparticipatie in de Nederlandse jeugdzorgpraktijk.” Child & Family Social Work, 24(2), 224-231.
  • Weinberg, L.A., Zetlin, A., & Shea, N.M. (2009). “Het wegnemen van belemmeringen voor onderwijs aan kinderen in pleegzorg.” Children and Youth Services Review, 31(8), 854-859.

Plaats een reactie