Written by

Over huidhonger, liefde en het onbenoembare

Door Jan Vranken

Er bestaat een woord in het Portugees dat geen vertaling heeft. Niet in het Nederlands, niet in het Duits, niet in het Frans, niet in het Wolof — en ik spreek ze allemaal. Het woord is saudade, en het betekent zoiets als het verlangen naar iets wat er is, maar toch niet helemaal. De aanwezigheid van een afwezigheid. Geen verdriet, geen gemis — eerder het besef dat je van iemand kunt houden die naast je ligt en tegelijkertijd een ruimte voelt die niet dicht kan. Niet omdat de liefde niet groot genoeg is, maar omdat je nu eenmaal twee verschillende mensen bent, uit twee verschillende werelden, die allebei op een andere manier honger hebben.

Ik leerde dat woord in Angola, in een miljoenenstad vol mensen met wie ik nauwelijks verbaal kon communiceren. Ik was er voor mijn werk — een van die jaren waarin je ergens gestationeerd wordt en doet wat gedaan moet worden, terwijl thuis het leven doorgaat zonder jou. Mijn vrouw was in Nederland. Mijn zoon was in Nederland. En ik stond op een ochtend onder een douche in Luanda en realiseerde me dat ik niet wist hoe ik moest functioneren.

Niet omdat ik ziek was. Niet omdat het werk te zwaar was. Maar omdat niemand me aanraakte.

Dat klinkt misschien vreemd uit de mond van een man van bijna zestig, bijna twee meter lang, honderdvijfenveertig kilo. Mannen zoals ik worden geacht stevig in het leven te staan, en dat doe ik ook — maar stevig staan is iets anders dan heel zijn. Wat ik miste in Angola was niet alleen de seksualiteit met mijn vrouw, hoewel ik ook die miste. Wat ik miste was de hand op mijn schouder als bemoediging. De blik op haar lijf als ze onder de douche staat, niet als verlangen maar als bevestiging: wij horen bij elkaar. De glimlach om een domme opmerking. Het elkaar even vastpakken in het voorbijgaan. De geur die zo onmiskenbaar de hare is als ik in de buurt zit.

Een verlangen naar dit alles is ook een verlangen naar wat mij compleet maakt. Als ik alleen maar vreemde mensen om me heen heb en andere indrukken, dan voel ik me gedetacheerd van wie ik zelf ben. Het is een nodig hebben, in de meest letterlijke zin van het woord. Je hebt menselijk contact nodig omdat je anders jezelf verliest.

Ik voelde het fysiek. Het was een gemis dat me heeft geblokkeerd in mijn functioneren.

De Portugezen, die dit woord bedachten — of misschien eerder: ontdekten, want sommige woorden worden niet gemaakt maar gevonden — wisten iets dat wij in het Noorden van Europa niet goed onder woorden kunnen brengen. Dat je ziek kunt worden van de afwezigheid van warmte. Niet de warmte van de zon of van een verwarming, maar de warmte van huid op huid, van iemand die er is, die jou ziet, die jou bevestigt door de simpele daad van aanwezigheid.

Er is een term voor: huidhonger. Skin hunger. Het woord alleen al zegt alles — het is een honger, een tekort, iets dat je lichaam schreeuwt.

•  •  •

Wie nu denkt dat ik een pleidooi ga houden voor meer knuffelen, vergist zich. Dit verhaal is ingewikkelder dan dat. Zoals alles wat met mensen te maken heeft.

Mijn vrouw is Senegalese. Wij zijn dertig jaar samen, en in die dertig jaar heb ik geleerd dat huidhonger — mijn huidhonger — niet universeel is. Niet in de vorm althans. Ik wil duidelijk maken dat hier geen waardeoordeel aan vastzit, maar mijn huidhonger is fundamenteel anders dan de hare.

Ik heb het nodig om mijn hoofd in haar hals te leggen. Gewoon om haar te ruiken. Om samen te zijn. Om te voelen dat we samen zijn. Synergie is dat voor mij. Maar voor haar is mijn Europese huidhonger soms een afwijzing van haarzelf, omdat ze het voelt als een tekortkoming — alsof ik niet tevreden over haar zou zijn. Onzin, natuurlijk. Maar in Senegal komt niemand bij een ander kroelen voor de fijn. Het simpele feit dat er eten voor je gemaakt wordt, laat zien dat iemand er voor je is, no matter what. Dat is niet minder. Misschien wel meer waard. En zeker veel eerlijker.

Maar het neemt niet weg dat mijn huidhonger hierdoor niet afneemt. Ik ben gewoon anders. Ik ben geen Senegalees.

De vraag hou je een beetje van me?, lief bedoeld op een doordeweekse avond, zal altijd als een belediging worden opgevat. Wat denk je zelf? Ik ben dertig jaar bij je. Ik draai elke week je was. Zou ik dat doen als ik niet van je hield? Bij een Europees-Nederlands koppel waarschijnlijk de eerste aanzet tot een echtscheiding. Voor ons — voor mij althans, zeker de laatste jaren — het inzicht dat het zo is. Voor haar. Haar liefde voor mij hangt niet af van seks of kroelen. Die liefde uit zich in er onvoorwaardelijk voor mij zijn.

Dat is een ontzettend fijn gevoel.

Maar het neemt niet weg dat de honger blijft. Niet omdat zij tekortschiet — ze schiet niet tekort. Maar omdat ik nu eenmaal een ander mens ben, gevormd door een andere cultuur, met een ander lichaam dat andere dingen nodig heeft. En na dertig jaar is dat geen wond meer, het is een litteken. Het doet niet meer zeer, maar je voelt het bij elk weertype.

We herkennen het bij elkaar. We erkennen het ook. Maar dat maakt het niet makkelijker. Het heeft ons juist geleerd dat onze liefde inmiddels op een veel dieper niveau zit — voorbij de taal van aanraking, voorbij de taal van zorg, op een plek waar twee mensen simpelweg weten: dit is het. Dit zijn wij. Met alles wat daaraan mist en alles wat daaraan heel is.

Saudade.

•  •  •

Maar er is een andere kant aan dit verhaal, en die gaat over een huis in Dakar.

Toen mijn schoonbroer ging trouwen, kwamen familieleden en vrienden vanuit heel Senegal naar de hoofdstad om bij de huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn. Het huis liep de dagen voorafgaand aan de trouwerij vol met mensen die zich neerlegden in de gang, die ongevraagd mijn badkamer gebruikten, die ons eten opaten. En mijn familie kon er niets tegen doen — wilde dat ook niet.

Want dat is de wij-cultuur. Die is warm en onvoorwaardelijk en je zult er nooit alleen in zijn. Maar je kunt er ook compleet door geleefd worden. Je hebt geen zeggenschap meer over wat je als van jezelf beschouwt. Nichtjes die graag zelfstandig een leven wilden bouwen, daar hard voor studeerden en werkten, alles ervoor wilden geven — en het uiteindelijk toch te jong getrouwd opgaven, ongelukkig, omdat dat nu eenmaal de mores is.

Ongelukkig. Maar wel met een schoonfamilie waar je op kunt bouwen.

Het is geen keuze.

Hier zit de wrede ironie van dit verhaal. In het Westen smeken we om een hand op onze schouder. In Senegal smeekt iemand om vijf minuten alleen op zijn eigen toilet. Twee vormen van honger. Te weinig aanraking. Te veel aanwezigheid. En geen van beide is wat een mens nodig heeft.

•  •  •

Cees Nooteboom, die drie dagen geleden op zijn geliefde eiland Menorca overleed, schreef over reizen als een manier om jezelf te verliezen en terug te vinden. Hij begreep als geen ander dat de wereld niet één verhaal is, maar duizend tegelijkertijd, en dat de reiziger — de echte reiziger — niet op zoek is naar antwoorden maar naar betere vragen. Ik matig me niet aan hem te imiteren, maar ik herken die zoektocht. Het reizen tussen culturen, het pendelen tussen manieren van liefhebben, het besef dat je nergens helemaal thuis bent en overal een beetje.

De betere vraag, in dit geval, is niet: hoe lossen we eenzaamheid op? De betere vraag is: hoe zijn we hier gekomen?

Want de cijfers zijn er. De Wereldgezondheidsorganisatie publiceerde vorig jaar een rapport waaruit blijkt dat wereldwijd één op de zes mensen kampt met eenzaamheid — goed voor naar schatting meer dan achthonderdduizend doden per jaar. Bijna de helft van alle volwassenen voelt zich eenzaam. En dat in het meest verbonden tijdperk dat de mensheid ooit heeft gekend — met een telefoon in elke broekzak en een wereld op elk scherm.

Maar ik geloof niet dat eenzaamheid een statistiek is. Eenzaamheid is een man in Luanda die zijn eigen geur niet meer herkent omdat er niemand is die dichtbij genoeg komt. Eenzaamheid is een vrouw die het eten op tafel zet en niet begrijpt waarom dat niet genoeg is. Eenzaamheid is een nichtje in Dakar dat omringd wordt door vijftig familieleden en droomt van een kamer voor zich alleen.

•  •  •

Er is nog iets dat gezegd moet worden, en het is misschien het moeilijkste deel van dit verhaal.

Ergens in de afgelopen decennia is aanraking gecorrumpeerd. In onze westerse cultuur is lichamelijk contact versmald tot iets dat altijd met seksualiteit te maken lijkt te hebben. Zoals ook bloot-zijn niet meer is wat het in essentie is: mens zijn. Alles is geseksualiseerd. Je kunt elkaar niet meer aanraken zonder geschreven toestemming, bijna.

In Senegal zie je jongens hand in hand over straat lopen. Gewoon, omdat ze vrienden zijn. Niemand zal denken dat ze homoseksueel zijn. Niemand zal er iets achter zoeken. Het is wat het is: twee mensen die van elkaar houden op de manier waarop mensen van elkaar houden als je het ze niet afleert.

Die onschuld is hier weg.

En laat me eerlijk zijn: de regels die we hebben opgebouwd rond aanraking — de consent-cultuur, de protocollen, de waakzaamheid — die zijn er niet voor niets. Ze zijn geboren uit reëel misbruik, uit machtsongelijkheid, uit mensen die wél werden aangeraakt zonder dat ze dat wilden. Dat moet gezegd. Het antwoord op huidhonger is niet een wereld zonder grenzen.

Maar het resultaat is wel dat we zo bang zijn geworden om het verkeerd te doen, dat we het helemaal niet meer doen.

We zijn dubbel vergrendeld. Eerst hebben we aanraking geseksualiseerd — elk fysiek contact tussen volwassenen wordt bekeken door een erotische lens. En vervolgens hebben we, als reactie op de excessen, een systeem van regels en protocollen gebouwd. Allebei begrijpelijk. Allebei ook tragisch in hun bijwerking.

Ik ken mensen die ik al heel lang ken en van wie ik hou. Mensen die veel voor me betekenen — of dat nu mannen of vrouwen zijn. Ik zou ze willen aanraken. Ik zou met een hand op hun arm of een lange knuffel connectie makend willen zeggen: dankjewel dat je bij me bent. Ik zou een rug willen kroelen om te laten merken dat de waardering wederzijds is, dat we dicht bij elkaar staan, dat juist die authenticiteit, die menselijkheid onze relatie zo waardevol maakt.

Er zijn een paar mensen waarbij dat geen issue is. Maar dat zijn er veel te weinig.

•  •  •

Nooteboom eindigde zijn romans nooit met een oplossing. Hij eindigde ze met een beeld. Een moment dat bleef hangen als een echo van iets wat ooit heel was en misschien weer heel zou kunnen zijn, als we er maar in durfden te geloven.

Dus ik eindig niet met een antwoord. Ik eindig met een beeld.

Mocht het zo zijn dat mensen zich hiervoor meer open konden stellen — niet willen, want dat is het niet, maar zich ervoor open konden stellen — dan zou er een brug teruggebouwd kunnen worden naar een deel van ons mens-zijn dat we onszelf, door onze eigen geschiedenis en ontwikkeling, hebben laten afpakken.

Want ik weet hoe het eruitziet als die brug er nog is. Ik heb het gezien, op een stoffig voetbalveldje aan de rand van een Senegalese stad. Een jongen met een voetbal in zijn ene hand en de hand van zijn beste vriendje in de andere, samen onderweg.

Dan heb je toch al gewonnen voordat je gespeeld hebt.

Plaats een reactie