
Albumrecensie door Jan Vranken
Stel je voor: zeven kerels die na twaalf jaar samen spelen besluiten om hun platenlabel achter zich te laten, een busje naar Joshua Tree te rijden, en in de woonkamer van een vriend een plaat op te nemen. Geen dure studio, geen zwaarbetaalde producer, geen corporate druk – alleen microfoons, kabels, vrienden, pizza en bier. Het resultaat is Look Who’s Back, het vijfde album van The Nude Party, en misschien wel hun meest ontspannen en zelfverzekerde worp tot nu toe.
The Nude Party is een band met een ontstaansverhaal dat je niet snel vergeet. Opgericht in 2012 op Appalachian State University in het bergachtige Boone, North Carolina, begonnen deze zes (later zeven) vrienden als huisband van een berucht feesthuis waar zowel muzikanten als publiek regelmatig de kleren lieten vallen. De naam bleef hangen, de kleren kwamen uiteindelijk weer aan, maar de ongepolijste energie en het broederlijke gevoel zijn in al die jaren geen moment verdwenen. Na drie albums voor New West Records – het zelfgetitelde debuut (2018), Midnight Manor (2020) en Rides On (2023) – kiest het septet nu voor de onafhankelijke route. De titel van het album voelt dan ook als een statement: kijk eens wie er terug is, en wel op eigen voorwaarden.
De plaat opent met de gelijknamige titelsong, een groovy, door de vroege jaren zeventig geïnspireerde rocker die klinkt alsof de Stones op een kruispunt staan met Gram Parsons. Twangy gitaren, toetsen en een zwoele harmonica zetten meteen de toon: dit wordt een plaat die naar woestijnstof en zonsondergangen ruikt. Zanger Patton Magee gaf eerder aan dat het nummer gaat over loyaliteit in moeilijke tijden – wie blijft er overeind als het tegenzit? Het is een thema dat extra lading krijgt nu de band zonder vangnet van een label opereert.
‘Not That Bad’ is het rustpuntje vroeg op het album: een mid-tempo meezinger die in zijn gestripte eenvoud doet denken aan de somberdere kant van The Smiths, maar dan overgoten met een laagje glamrock. Het is een nummer dat onmiddellijk op je netvlies brandt en dat je na twee keer luisteren al meeneuriët. Wie houdt van de nonchalante swagger van ‘Honky Tonk Women’ vindt hier een eigentijdse evenknie.
Het echte hoogtepunt van de plaat is ‘Walk That Walk’, waarin Magee zijn beste Lou Reed-imitatie uit de kast trekt: een onweerstaanbare combinatie van pratend zingen en coole nonchalance, gedragen door een ritme dat zo uit het repertoire van de J. Geils Band had kunnen komen. Het is rock-‘n-roll op zijn meest aanstekelijk, het soort nummer waardoor je onmiddellijk je autosleutels pakt om doelloos rond te rijden met de raampjes open.
De samenwerking met Pearl Charles en Lady Apple Tree (Haylie Hostetter) op ‘Sweetheart of the Radio’ – een knipoog naar The Byrds’ legendarische Sweetheart of the Rodeo – levert een van de tederste momenten op. Het is een prachtig country-rockduet dat bewijst dat de band meer in de vingers heeft dan alleen rauwe garagerock. ‘Honey for the Barflies’ trekt de plaat juist de andere kant op: een uitdagend, gelaagd stuk rootsrock vol percussie en meerstemmige koorzang dat eerder doet denken aan hedendaagse bands als Wednesday en Geese dan aan hun gebruikelijke retro-referenties.
Toch is niet alles goud wat er blinkt. Tekstueel blijft de band af en toe steken in clichés – ‘Taking Hangers off the Line’ klinkt stoer maar zegt inhoudelijk weinig meer dan de titel doet vermoeden. En met negen nummers in vierendertig minuten is het album weliswaar lekker compact, maar het laat je ook achter met het gevoel dat er best nog een paar nummers bij hadden gemogen. ‘Love Is Electric’ is een prima rocker, maar mist de vonk die de betere tracks op dit album zo onweerstaanbaar maakt.
Het album sluit af met ‘Juarez’, een speels nummer over een drugssmokkelaar dat een vleugje Caribische flair mengt met hun Stones-achtige country-rock. Het is een charmant, luchtig slotstuk dat perfect past bij de sfeer van het album: een groep vrienden die plezier heeft, punt.
Look Who’s Back is opgenomen door Michael Rault in zijn woonkamerstudio Taurus Rising Studios, en die huiselijke setting hoor je in elke noot. De productie is warm en lo-fi zonder slordig te worden, los zonder de controle te verliezen. Het is het geluid van een band die precies weet wie ze zijn en daar volstrekt tevreden mee is. In een tijdperk waarin veel bands krampachtig proberen relevant te klinken, is de ongedwongen authenticiteit van The Nude Party verfrissend.
Na twaalf jaar en vijf albums heeft dit zevental uit North Carolina bewezen dat broederschap, een gedeelde liefde voor klassieke rock-‘n-roll en een gezonde dosis eigenzinnigheid je verder brengen dan welk marketingbudget dan ook. Look Who’s Back is geen plaat die het wiel opnieuw uitvindt, maar het is een verdomd lekkere rit door de woestijn met het dak open
(710) (Alternate Side / eigen beheer)
Plaats een reactie